Fictieve dienstbetrekking bij coƶperatie

Ondernemer voor de inkomstenbelasting is de persoon voor wiens rekening en risico een onderneming wordt gedreven. De uitoefening van een zelfstandig beroep valt ook onder het begrip onderneming. Voor een zelfstandig uitgeoefend beroep moet aan drie vereisten zijn voldaan:

  1. voldoende zelfstandigheid ten opzichte van de opdrachtgever(s);
  2. meer dan incidenteel opdrachten aanvaarden;
  3. het lopen van ondernemersrisico.

Een persoon, die tegen vergoeding werkzaam was voor een coöperatie, stelde dat hij een zelfstandig beroep uitoefende. Het was echter de coöperatie die contracten met opdrachtgevers sloot en die factureerde. Volgens de rechtbank werden de werkzaamheden voor rekening en risico van de coöperatie verricht en werkte de betrokkene voor één betalende opdrachtgever. De rechtbank vond niet aannemelijk dat aan de eisen van voldoende zelfstandigheid en van ondernemersrisico was voldaan. Het lidmaatschap van een coöperatie leidt niet tot ondernemerschap in de zin van de Wet IB 2001. De rechtbank was van oordeel dat de betrokkene geen ondernemer was en daarom geen recht op de ondernemersfaciliteiten had. Wel was sprake van een fictieve dienstbetrekking, aangezien de betrokkene een aanmerkelijk belang had in de coöperatie waarvoor hij werkzaamheden verrichtte. Dat betekende dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing was.